Weêr gaat het veege licht der asters bloeien;
weêr
naêrt een herfst. - En dit doorhunkerd hart
waar smokend 's
zomers toortse gaat vergloeien,
wordt huiverend, en mart . . .
- Ik, in wiens hand de zoele vruchten wogen
maar wien de zoen
ontzegd werd van den beet;
die, naar 'k u weet, o herfstig
mededoogen,
me des te allèener
weet;
eeuwige maaier, ik, die sneed het koren
maar nimmer voor
zich-zelf de garve bond;
eindlooze vaarder in zijn vochte
voren
die nooit de haven vond:
weêr naêrt een herfst; en weêr naêrt wrang
het derven
dit hart dat, hooploos, steeds verlangen kent;
dat,
immer hunkrend naar dit herfstlijk sterven,
na 't wintren weet een
lent' . . .
- Weêr brandt mijn najaars-bloed in smeek-gebaren;
weêr
weent het hart waar de oude wonde schroeit . . .
- Hoe bronst het
goud in de kastanjelaren!
De zilvren aster bloeit . . .
Uit: De modderen man, 1920