Duizendtallen oceanen
Zijn in ’t
eindloos waereldmeir
Van mijn bittre weemoedstranen
Slechts
een droppel en niets meer.
Honderdduizend exterogen
Doen den
zwerver minder smart,
Dan het branden van mijn ogen,
En
het smachten van mijn hart.
Tachtig uitgevaste leeuwen
Om het leger
der hijeen,
Kunnen samen nooit zo schreeuwen,
Als
ik huil om u alleen!
Ach, wat blijft me uw afzijn kwellen!
Scheiding,
ach, een ijslijkheid . . .
Doch – ik zal eens even
schellen
Om Katrijn, de linnenmeid.
Diep in droefheid neergezeten,
Schrei
ik om den dood en ’t graf, -
Kom, Katrijn, de kamer
vegen!
En veeg ook mijn tranen af!
Scheiden is niet uit te houên
Lachjens,
lustjens gaan dan heen, -
Als Katrijn met Mey gaat
trouwen,
Ach, dan blijf ik gants alleen!
Uit: Braga