De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en
zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een
antilope
voorbij.
zwervende tusschen fonteinen van licht
en langs de stralende
pleinen van ’t water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn
zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water . . .
een held’re, verruk’lijk-meeslepende wijs:
‘het schip van den wind ligt gereed voor de reis,
de zon
en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe
matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs.’
Uit: Paradise regained (1927)