Ik wilde ik kon u iets geven
tot troost diep in uw leven,
maar
ik heb woorden alleen,
namen, en dingen geen.
Maar o alzegenend licht,
witheerlijk, witgespreid licht,
daal
op haar en laat haar nooit zijn
zonder uw zaligen schijn.
Zij is zo stil en zo zacht
als gij en niet onverwacht
zijt
ge voor haar - zó is
het water voor een zwemvis.
Ik weet niet of zij u maakt
licht, als haar monde slaakt
adem,
of dat zij door
u werd en uit u bevroor.
Zij is als de gouden zonmiddag,
een herfstige laatste
biddag
van bomen en het graskruid
tot ’t zonlicht, hoog
boven ze uit.
Zij is het zilveren zwevende
het tere licht blozende
gevende
licht, dat hemelhoog is,
goudeeuwig als ’t
herrefst is.
Haar ogen gaan wijd en zijd
boven mijn starend hoofd
uit,
gouden en zilveren lichten
brengt ze op mensengezichten.
Ze weet het licht niet, ze is
zich zelve wel droefenis,
ik
wilde ik kon haar iets geven
verlichtend het donkere leven.
Uit: De School der Poëzie (1897)