Heel alleen aan ’t tafelke,
Eet ons kindje een
wafelke.
Hapt alhier een hoekske,
Boter vlekt zijn
doekske.
Gaapt en bijt alginder,
Weer een putteke minder.
Dan
in ’t wilde, zeere, zeer,
Altijd voort en altijd meer:
Wafel
in zijn handekes,
Wafel in zijn tandekes,
En zijn gretige
oogkens gaan
Naar het bord waar de andere staan.
Uit: Gedichten (1907)