Gij bad op enen berg alleen,
en . . . Jesu, ik en vind er
geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de
wereld wilt mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn
ogen sla;
en arm als ik en is er geen,
geen een,
die nood
hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die
pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
o Leert mij,
armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!
Uit: Gedichten, Gezangen en Gebeden (1862)