En peinzend zie 'k uw zeeblauwe ogen pralen
waarin de zachtheid
kwijnt, de liefde droomt,
en weet niet wat mij door mijne âren
stroomt:
ik zie naar u en kan niet ademhalen.
Een gouden waterval van zonnestralen
heeft nooit een schoner
aangezicht bezoomd . . .
't Is of me een engel heeft
verwellekoomd,
die met een paradijs op aard kwam dalen.
'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven
en buiten mij. 'k Was
dood, ik ben herrezen
en voel mij tussen zijn en niet-zijn zweven.
Wat hebt gij, toveres, mij goed belezen!
Aan u en aan uwe ogen
hangt mijn leven:
een diepe rust vervult geheel mijn wezen.